ECLI:NL:RVS:2015:2675

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2015
Publicatiedatum
24 augustus 2015
Zaaknummer
201502779/2/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 9c AdvocatenwetArt. 9e Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak ongegrond verklaring beroep tegen onvoldoende examen Strafprocesrecht

Bij besluit van 6 maart 2014 heeft de Examencommissie Beroepsopleiding Advocatuur het examen Strafprocesrecht van appellant als onvoldoende beoordeeld. Het curatorium verklaarde het daarop ingestelde administratief beroep ongegrond, hetgeen door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep mogelijk is tegen besluiten die een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat betreffen. Dit betekent dat de bestuursrechter niet kan toetsen aan de inhoud van het examen of de beoordeling daarvan, maar slechts kan nagaan of aan formele vereisten is voldaan.

Appellant betoogde dat deze uitsluiting in strijd is met artikel 6 EVRM Pro omdat het hem de toegang tot een onafhankelijke rechter ontneemt. De Afdeling oordeelt dat dit niet het geval is, aangezien de burgerlijke rechter nog steeds bevoegd is om geschillen over het kennen of kunnen te beoordelen.

De Afdeling verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat het beroep tegen de onvoldoende beoordeling van het examen Strafprocesrecht ongegrond is.

Uitspraak

201502779/2/A2.
Datum uitspraak: 13 juli 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2015 in zaak nr. 14/5363 in het geding tussen:
[appellant]
en
het curatorium Beroepsopleiding Advocatuur.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2014 heeft de Examencommissie Beroepsopleiding Advocatuur het door [appellant] op 21 februari 2014 afgelegde examen Strafprocesrecht als onvoldoende beoordeeld.
Bij besluit van 11 juli 2014 heeft het curatorium het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, draagt de Nederlandse orde van advocaten zorg voor een opleiding van stagiaires en stelt zij de stagiaire in de gelegenheid deze opleiding te volgen, die met een examen wordt afgesloten.
Ingevolge artikel 9e kan een belanghebbende tegen een op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 9c genomen beslissing administratief beroep instellen bij het curatorium.
Ingevolge artikel 8:4, derde lid, aanhef onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing.
2. Vooropgesteld wordt dat artikel 8:4, derde lid, aanhef onder b van de Awb eraan in de weg staat dat door het instellen van beroep tegen een in administratief beroep genomen besluit van het curatorium een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een besluit dat als zodanig van bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat, wat betreft het aan het besluit op administratief beroep ten grondslag liggende besluit van de examencommissie, door de bestuursrechter slechts kan worden beoordeeld of het curatorium zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de Advocatenwet of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan. De toetsing door de bestuursrechter kan niet rechtstreeks betrekking hebben op de inhoud van de afgelegde proeve van bekwaamheid van [appellant]. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2009 in zaak nr. 200902052/1/H2.
3. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb verbindende kracht mist, aangezien deze bepaling hem met betrekking tot een besluit over zijn kennen of kunnen, zoals in dit geval aan de orde, de toegang tot de onafhankelijke rechter onthoudt, hetgeen volgens hem in strijd is met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daartoe voert hij aan dat doordat de rechtbank alleen heeft getoetst of het besluit van 11 juli 2014 aan de formele vereisten voldoet, aan het curatorium een vrijbrief is gegeven om naar willekeur een examen te beoordelen.
3.1. Uit het hiervoor onder 2 overwogene volgt weliswaar dat de mogelijkheden om geschillen met betrekking tot besluiten betreffende iemands kennen of kunnen voor te leggen aan de bestuursrechter zijn beperkt, maar daarmee wordt de toegang tot de rechter niet beperkt. Voor zover de bestuursrechter niet bevoegd is kan het geschil immers aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.
w.g. Verheij w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2015
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van Pro de Awb).
- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
17-809.