ECLI:NL:RVS:2015:2753
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid sluiting en intrekking horeca-exploitatievergunning wegens handel in softdrugs
De burgemeester van Den Haag sloot op 17 juli 2014 een horeca-inrichting voor twaalf maanden en trok de Drank- en Horecawetvergunning en exploitatievergunning in vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs. De exploitant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar gegrond en beperkte de sluiting tot zes maanden, en herroept de intrekking van de vergunningen.
De burgemeester ging in hoger beroep en stelde dat de aanwezigheid van 31,8 gram hasjiesj en 16,1 gram hennep een verzwarende omstandigheid is, die sluiting van twaalf maanden en intrekking van de vergunningen rechtvaardigt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester zich op redelijke gronden kon beroepen op het gemeentelijke beleid waarin handel in softdrugs in reguliere horeca-inrichtingen zeer zwaar wordt aangerekend.
De Afdeling stelde vast dat de intrekking van de vergunningen binnen het beleid past en dat de exploitant ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep bij de rechtbank ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De sluiting van de horeca-inrichting voor twaalf maanden en intrekking van de exploitatievergunning worden bevestigd.