De staatssecretaris heeft op 25 augustus 2014 een aanvraag van een vreemdeling om toepassing van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000, waarbij uitzetting wegens medische redenen achterwege blijft, afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het Bureau Medische Advisering (BMA) had moeten betrekken bij de beoordeling van de medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst, en dat het recht op gezinsleven volgens artikel 8 EVRMPro niet relevant is bij de beoordeling van artikel 64 VwPro 2000. Tevens was de rechtbank onjuist in het meenemen van de zwangerschapswens van de vreemdeling in de beoordeling.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd vastgesteld dat het BMA-advies zorgvuldig was en dat de staatssecretaris niet gehouden was tot nader advies over vervanging van medicatie. Ook was het niet nodig de vreemdeling te horen in bezwaar. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitspraak
201501809/1/V1.
Datum uitspraak: 31 augustus 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 februari 2015 in zaak nr. 14/23437 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 14 oktober 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 5 februari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Blijdorp, advocaat te Culemborg, heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) om advies had moeten vragen naar de behandelmogelijkheden voor de vreemdeling, die de Ethiopische nationaliteit bezit, in Ghana, aangezien de staatssecretaris de uitzetting van de Ghanese echtgenoot van de vreemdeling naar Ghana aan het voorbereiden is en hun gescheiden uitzetting in strijd zou komen met het door artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) beschermde recht op respect voor hun gezinsleven.
De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat zijn beoordeling van een aanvraag om toepassing van artikel 64 vanPro de Vw 2000 beperkt is tot de vraag of uitzetting wegens de medische situatie van de desbetreffende vreemdeling achterwege moet blijven, zodat hij niet gehouden is te toetsen aan artikel 8 vanPro het EVRM. Volgens de staatssecretaris is het vooralsnog niet mogelijk de vreemdeling naar Ghana uit te zetten, omdat zij en haar echtgenoot zich tegen gezamenlijke uitzetting verzetten.
1.1. Bij de beoordeling van een aanvraag om toepassing van artikel 64 vanPro de Vw 2000 is de staatssecretaris niet gehouden te toetsen aan artikel 8 vanPro het EVRM. Artikel 64 vanPro de Vw 2000 verplicht de staatssecretaris er immers louter toe de uitzetting wegens medische beletselen achterwege te laten. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte belang gehecht aan de mogelijke gescheiden uitzetting van de vreemdeling en haar echtgenoot.
De grief slaagt.
2. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij bij de beoordeling van de aanvraag de zwangerschapswens van de vreemdeling in aanmerking had moeten nemen en derhalve het BMA om advies had moeten vragen over het effect van de in Ethiopië aanwezige alternatieve bloeddrukverlagende medicijnen op een eventuele zwangerschap.
2.1. De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat reeds omdat niet in geschil is dat de vreemdeling ten tijde van het besluit van 14 oktober 2014 niet zwanger was, hij het BMA niet ten onrechte niet om advies heeft gevraagd naar het effect van de alternatieve medicijnen op een eventuele zwangerschap. Wat betreft de behandeling in het land van herkomst beperkt de beoordeling van de staatssecretaris in het kader van artikel 64 vanPro de Vw 2000 zich immers tot de vraag of behandeling voor de klachten van de vreemdeling ter voorkoming van een medische noodsituatie als bedoeld in paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 aldaar aanwezig is.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het besluit van 14 oktober 2014 getoetst in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
4. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris het BMA om advies had moeten vragen of zij het medicijn Labetolol daadwerkelijk kan vervangen door de in het advies van het BMA van 20 augustus 2014 vermelde alternatieve bloeddrukverlagende medicijnen, nu voormeld BMA-advies vermeldt dat haar bloeddruk ondanks behandeling met twee bloeddrukverlagende middelen duidelijk verhoogd blijft.
4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 16 augustus 2013 in zaak nr. 201210703/1/V4) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. De staatssecretaris moet zich, indien hij een advies van het BMA, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 vanPro de Awb ervan vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.
4.2. Het BMA-advies van 20 augustus 2014 vermeldt dat behandeling voor de klachten van de vreemdeling in algemeen medisch-technische zin in Ethiopië aanwezig is. Labetolol is niet aanwezig, maar de alternatieve bloeddrukverlagende medicijnen Metoprolol en Atenolol wel, aldus het BMA. Nu de vreemdeling niet heeft gestaafd dat zij het medicijn Labetolol om andere reden dan haar zwangerschapswens niet kan vervangen door voormelde alternatieve bloeddrukverlagende medicijnen, heeft de staatssecretaris het BMA daarover niet ten onrechte niet om nader advies gevraagd.
De beroepsgrond faalt.
5. De vreemdeling voert in beroep aan dat de staatssecretaris haar in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord.
5.1. De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
Gezien de motivering van het besluit van 25 augustus 2014 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan, zodat de beroepsgrond faalt.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 februari 2015 in zaak nr. 14/23437;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.