ECLI:NL:RVS:2015:2905
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldhulpverlening wegens ontbreken instemming schuldeisers bevestigd
Appellante was toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening met een schuld van circa € 25.000. Na afwijzing van haar verzoeken tot schuldsanering door de rechtbank, vroeg zij bemiddeling voor een minnelijke schuldregeling. Het college beëindigde de schuldhulpverlening omdat twee schuldeisers niet meewerkten en er een nieuwe schuld was ontstaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. Appellante stelde dat alle schuldeisers inmiddels akkoord waren en dat het college onzorgvuldig had gehandeld, mede omdat beleidsregels pas na het besluit waren vastgesteld. De Raad van State oordeelt dat het college terecht het besluit nam op basis van de situatie ten tijde van het besluit en dat de beëindiging niet onredelijk was.
De Raad van State wijst erop dat de nieuwe schuld bij de Belastingdienst niet als reden voor beëindiging kon dienen, maar dat het college de kans op een succesvolle regeling gering mocht achten. De inspanningen van de Plangroep werden als voldoende beoordeeld. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de beëindiging van de schuldhulpverlening wegens het uitblijven van instemming van alle schuldeisers.