ECLI:NL:RVS:2015:2948

Raad van State

Datum uitspraak
10 september 2015
Publicatiedatum
16 september 2015
Zaaknummer
201505671/2/A1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.J.J. van Buuren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bestuursdwangbesluit over gebruik perceel in Someren

Het college van burgemeester en wethouders van Someren heeft bij besluit van 29 april 2011 aan verzoeker bestuursdwang opgelegd om het gebruik van de achtertuin van zijn perceel in Someren, dat in strijd is met het bestemmingsplan, te staken. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen het besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, waarna verzoeker hoger beroep instelde bij de Raad van State en tevens een voorlopige voorziening verzocht.

Tijdens de zitting op 27 augustus 2015 heeft verzoeker aangevoerd dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door niet in te gaan op vijftien vergelijkbare gevallen die hij aanvoerde. Het college heeft toegelicht dat de activiteiten van verzoeker verschillen van die andere gevallen, onder meer vanwege 24/7 bergingsactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig dat de aangevoerde gevallen onvoldoende aanleiding geven om aan te nemen dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

Ook andere aangevoerde gronden over de mogelijkheid tot legalisering van het gebruik bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het besluit onrechtmatig is. Gezien de belangenafweging wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestuursdwangbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

201505671/2/A1.
Datum uitspraak: 10 september 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Someren,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 juni 2015 in zaken nrs. 15/906 en 15/907 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Someren.
Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college [verzoeker] onder oplegging van bestuursdwang gelast om binnen zes weken na de dagtekening, zijnde de verzenddatum van dit besluit, het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de achtertuin van het perceel [locatie 1] te Someren (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden. De gestalde voertuigen dienen verwijderd te worden en te blijven.
Bij besluit van 11 februari 2015 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juni 2015 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 augustus 2015, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.W.R.A. Verbruggen en A.J.M. van Son, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. [verzoeker] heeft onder meer naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft gevolgd dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Volgens hem is het college ten onrechte niet ingegaan op de ongeveer vijftien gelijke gevallen die hij in dat verband heeft aangedragen.
2.1. Ter zitting heeft het college zijn uit de stukken blijkende standpunt toegelicht dat de bedrijfsactiviteiten van [verzoeker] op het perceel anders van aard zijn dan die op de adressen die door hem naar voren zijn gebracht, reeds omdat het bij [verzoeker] gaat om een combinatie van activiteiten op het perceel, waaronder bergingsactiviteiten die 24 uur per dag en zeven dagen per week kunnen plaatsvinden. [verzoeker] heeft ter zitting drie gevallen bij name genoemd. Het eerste geval betreft [bedrijf A], dat in Someren-Heide op twee locaties is gevestigd. Ten aanzien hiervan heeft het college ter zitting onweersproken verklaard dat het niet instemt met de in de kom gelegen locatie, maar wel met verplaatsing naar de rand van het dorp, en dat vierentwintiguursactiviteiten hier niet aan de orde zijn. Het tweede geval betreft [bedrijf B] aan de [locatie 2] in Someren. Ten aanzien daarvan heeft het college ter zitting aannemelijk gemaakt dat het bestemmingsplan niet wordt overtreden. Het derde geval betreft [bedrijf C] aan de [locatie 3] in Lierop. Ten aanzien daarvan heeft het college ter zitting verklaard dat het tegen het parkeren van auto’s in een weiland handhavend optreedt.
2.2. De andere gevallen die [verzoeker] heeft aangedragen, zijn ter zitting niet verder aan de orde gekomen. Hierover zal in de bodemprocedure, mede aan de hand van een nadere toelichting van het college, een oordeel moeten worden gegeven. Gezien hetgeen ter zitting is besproken, biedt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hetgeen [verzoeker] heeft aangedragen, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat moet worden aangenomen dat het besluit van 11 februari 2015 in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Ook in de overige door [verzoeker] in hoger beroep aangevoerde gronden, die betrekking hebben op de vraag of ten tijde van belang concreet zicht op legalisering van het met bestemmingsplan strijdige gebruik aan de orde was, worden naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand geen aanknopingspunten gevonden voor dat oordeel.
3. Gelet op het voorgaande en bij afweging van de betrokken belangen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.
w.g. Van Buuren w.g. Fransen
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2015
407-619.