ECLI:NL:RVS:2015:3024
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bewonersvergunning wegens aanwezigheid parkeervoorziening
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok op 4 maart 2014 de bewonersvergunning van appellant in, omdat hij woonachtig is in een complex met een eigen parkeervoorziening. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, waarbij zij het gebrek in de grondslag van het besluit passeerde op grond van artikel 6:22 Awb Pro. Appellant stelde dat deze passering onterecht was en dat het college een belangenafweging had moeten maken.
De Raad van State oordeelt dat appellant inderdaad geen recht heeft op een bewonersvergunning omdat hij in een complex met parkeervoorziening woont. De intrekking is terecht gebaseerd op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2014. De rechtbank heeft de belangenafweging niet zelf gemaakt, maar het college heeft dit gedaan, wat redelijk was gezien de schaarste aan parkeerplaatsen in Rotterdam.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bewonersvergunning wordt bevestigd omdat appellant woonachtig is in een complex met parkeervoorziening.