ECLI:NL:RVS:2015:3027
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag voor chauffeurskaart na geweldsdelict
De staatssecretaris weigerde op 21 maart 2014 de aanvraag van appellant voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart, vanwege een veroordeling op 8 januari 2014 voor openlijke geweldpleging. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze weigering, maar de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht het objectieve criterium hanteerde waarbij een strafbaar feit binnen de terugkijktermijn van vijf jaar, in dit geval een geweldsdelict, een belemmering vormt voor het verkrijgen van een VOG. Het korte tijdsverloop sinds de veroordeling, de ernst van het delict en de opgelegde straf (taakstraf van 120 uren en voorwaardelijke gevangenisstraf) rechtvaardigen de weigering. Het feit dat appellant slechts eenmaal met justitie in aanraking is gekomen en het delict niet in de hoedanigheid als taxichauffeur is gepleegd, maakt dit niet anders.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het belang van de samenleving bij weigering van de VOG zwaarder weegt dan het belang van appellant bij verlening, ondanks het verlies van zijn baan als taxichauffeur. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG-aanvraag vanwege de recente veroordeling voor openlijke geweldpleging.