ECLI:NL:RVS:2015:3051
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.D.M. van Diepenbeek
- J. Kramer
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland
Provinciale staten van Zeeland stelden op 1 november 2013 de Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland vast, gericht op het reguleren van het gebruik van de luchthaven Midden-Zeeland. Appellanten, wonend nabij de luchthaven, voerden beroep aan tegen dit besluit met onder meer bezwaren over het ontbreken van een hoorzitting, onvoldoende rekening houden met gevolgen van vliegroutes, en het niet uitvoeren van een milieueffectrapport (MER).
De Raad van State oordeelde dat appellanten als belanghebbenden konden worden aangemerkt vanwege de nabijheid van hun woningen tot handhavingspunten met geluidgrenswaarden. Het ontbreken van een hoorzitting voorafgaand aan het besluit was niet onrechtmatig omdat schriftelijke zienswijzen waren ingebracht en geen bijzondere omstandigheden voor een mondelinge toelichting bestonden.
Verder werd geoordeeld dat het luchthavenbesluit geen wijziging van vliegroutes bevatte en dat provinciale staten redelijk hadden kunnen oordelen dat er geen ernstige gevolgen voor externe veiligheid en geluidbelasting waren. Ten aanzien van het MER stelde de Raad vast dat de wijzigingen in het luchthavenbesluit niet leidden tot belangrijke nadelige milieugevolgen, zodat een MER niet verplicht was. Ook andere bezwaren, zoals het vertrouwensbeginsel en luchtverontreiniging, werden verworpen. De beroepen werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen het luchthavenbesluit Midden-Zeeland worden ongegrond verklaard.