ECLI:NL:RVS:2015:3079
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM voor vreemdeling bestaat
De staatssecretaris heeft bij besluiten van 3 juli 2013 de aanvragen van twee vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van vreemdeling 2 ongegrond, maar dat van vreemdeling 1 gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. Zowel de vreemdelingen als de staatssecretaris gingen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdelingen geen aanleiding gaf tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep van de staatssecretaris was echter gegrond omdat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom geen positieve verplichting uit artikel 8 EVRM Pro zou bestaan om het privéleven van vreemdeling 1 in Nederland voort te zetten.
De Raad verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin een belangenafweging vereist is tussen het belang van de vreemdeling en het Nederlandse migratiebeleid. Omdat vreemdeling 1 op jonge leeftijd illegaal is binnengekomen en haar verblijf onzeker was, en de ouders verantwoordelijk zijn voor deze situatie, zijn er geen bijzondere omstandigheden die een verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigen.
Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank voor vreemdeling 1 en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond, waarmee het besluit van de staatssecretaris tot weigering van de verblijfsvergunning werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning bevestigd.