ECLI:NL:RVS:2015:3080
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij verschillende besluiten in juni 2013 de aanvragen van vijf vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en tegen twee vreemdelingen een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat in februari 2014 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde bij uitspraak van december 2014 de beroepen gegrond, vernietigde de besluiten en bepaalde dat de staatssecretaris nieuwe besluiten moest nemen.
De staatssecretaris stelde tegen deze uitspraak hoger beroep in. De vreemdelingen beriepen zich op de overgangsregeling in de Vreemdelingencirculaire 2000, die onder meer bepaalt dat vreemdelingen die al houder zijn van een verblijfsvergunning in principe niet in aanmerking komen voor een nieuwe verblijfsvergunning onder deze regeling. De staatssecretaris had de vreemdelingen ambtshalve een verblijfsvergunning verleend onder de beperking "niet-tijdelijke humanitaire gronden" met ingang van september 2014.
De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris door het ambtshalve verlenen van deze verblijfsvergunning geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep tegen de eerdere afwijzing. Belang bij toetsing aan het recht ontstaat pas als de verleende vergunning wordt ingetrokken of een verlenging wordt afgewezen. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen en tot betaling van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk verklaard en hij is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.