ECLI:NL:RVS:2015:3081

Raad van State

Datum uitspraak
24 september 2015
Publicatiedatum
30 september 2015
Zaaknummer
201501696/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H. Troostwijk
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 AwbArt. 29 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel Somalië

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 22 september 2013 de aanvraag van een Somaliër om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank ten onrechte het beleid uit het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV 2009/16) niet correct had toegepast. Dit beleid sluit asielzoekers uit Somalië die hun aanvraag op of na 19 mei 2009 indienden uit voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vreemdelingenwet Pro 2000.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat de datum van het uiten van de asielwens bepalend was in plaats van de datum van de formele aanvraag. De beleidskeuze van de staatssecretaris is volgens vaste jurisprudentie niet onredelijk. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling met inachtneming van deze overwegingen.

Daarnaast stelde de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vast op €490,00 en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten beslist.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling.

Uitspraak

201501696/1/V2.
Datum uitspraak: 24 september 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 februari 2015 in zaak nr. 13/26450 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 februari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanleiding is om de door de Afdeling in haar uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102753/1/V3 gegeven uitleg van de term asielaanvraag niet op de onderhavige situatie toe te passen. De staatssecretaris klaagt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de toepassing van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2009/16 (hierna: het WBV 2009/16) dient te worden uitgegaan van de datum waarop de vreemdeling haar asielwens heeft geuit. Het in het WBV 2009/16 neergelegde beleid, inhoudende dat asielzoekers uit Somalië die op of na 19 mei 2009 een asielaanvraag hebben ingediend niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is volgens de staatssecretaris een bewuste beleidskeuze geweest. Bij de totstandkoming van het beleid is volgens de staatssecretaris de omstandigheid betrokken dat een vreemdeling zich voor 19 mei 2009 heeft gemeld, maar eerst na die datum een asielaanvraag heeft ingediend. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011 in zaak nr. 200907000/1/V2. Volgens de staatssecretaris volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 niet dat geen betekenis meer toekomt aan het moment van indienen van de formele asielaanvraag. Dat hij een vreemdeling vanaf de eerste aanmelding moet behandelen als een asielzoeker betekent niet dat daarmee het nationale categoriale beschermingsbeleid en de beleidskeuze om het categoriale beschermingsbeleid voor aanvragen die tot een bepaalde datum zijn ingediend toe te passen niet kunnen worden toegepast, aldus de staatssecretaris.
1.1. In voormelde uitspraak van 21 maart 2011 heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op de ruime beoordelingsvrijheid die de staatssecretaris volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling toekomt ter zake van de vraag of aanleiding bestaat voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming, het in het WBV 2009/16 neergelegde beleid, inhoudende dat asielzoekers uit Somalië die op of na 19 mei 2009 een asielaanvraag hebben ingediend niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, niet als onredelijk kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat een vreemdeling zich voor 19 mei 2009 heeft gemeld, maar eerst na die datum een asielaanvraag heeft ingediend, moet, gelet op de in die zaak ter zitting bij de Afdeling toegelichte bewuste beleidskeuze, bij de totstandkoming van dat beleid worden geacht te zijn voorzien (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2011 in zaak nr. 200906342/1/V2).
1.2. In haar voormelde uitspraak van 4 oktober 2011 heeft de Afdeling de vraag of een door een vreemdeling geuite wens om hem internationale bescherming te verlenen, dient te worden opgevat als een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen bevestigend beantwoord. Dit is echter wat anders dan de vraag of de in het WBV 2009/16 neergelegde keuze van de staatssecretaris dat asielzoekers uit Somalië die hun asielaanvraag op of na 19 mei 2009 formeel hebben ingediend niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, onredelijk is, welke vraag door de Afdeling in voormelde uitspraken van 21 maart 2011 en 16 mei 2011 ontkennend is beantwoord. Gelet op het voorgaande betekent de omstandigheid dat de vreemdeling vanaf de datum dat zij haar asielwens heeft geuit, moet worden geacht een asielaanvraag te hebben ingediend, niet dat de in het WBV 2009/16 neergelegde keuze van de staatssecretaris thans om die reden als onredelijk moet worden beschouwd. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De zaak zal krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank worden teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet over de vergoeding van deze kosten beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 februari 2015 in zaak nr. 13/26450;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro) en bepaalt dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten beslist.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Yildiz
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2015
594.