ECLI:NL:RVS:2015:3083
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit vrijheidsontnemende maatregel wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid
De vreemdeling kreeg op 25 juni 2015 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was, omdat de belangenafweging ten aanzien van het opleggen van een lichter middel niet in het besluit zelf was gemaakt, maar deels in een proces-verbaal van bevindingen. De staatssecretaris had de vreemdeling onvoldoende gelegenheid gegeven om bijzondere feiten of omstandigheden aan te voeren en had geen specifieke vragen gesteld over het toepassen van een lichter middel.
De verklaring van de vreemdeling dat hij terug wilde naar Albanië en er niets om gaf, was niet adequaat vastgelegd en hield geen verband met de vrijheidsontnemende maatregel. Hierdoor kleefden aan het besluit zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, werd geen bevel gegeven, maar werd een vergoeding toegekend over de periode van de maatregel. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en een vergoeding toegekend aan de vreemdeling.