ECLI:NL:RVS:2015:3199
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit inreisverbod wegens onvoldoende motivering belangenafweging
De vreemdelingen hadden een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen, gevolgd door een opgelegd inreisverbod en de opdracht om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. De rechtbank had het bezwaar van de vreemdelingen gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarna de staatssecretaris en de vreemdelingen hoger beroep instelden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen kennelijk ongegrond was en dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelde dat het onderscheid in de Regeling tussen vreemdelingen met en zonder asielachtergrond gerechtvaardigd was. Tevens werd geoordeeld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van de vreemdelingen uitviel, mede omdat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat terugkeer naar Egypte onmogelijk was.
Het besluit van 12 december 2013 werd echter vernietigd voor zover het inreisverbod werd gehandhaafd, omdat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de belangen van de vreemdelingen onvoldoende aanleiding gaven tot verkorting van het inreisverbod. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het besluit tot handhaving van het inreisverbod is vernietigd wegens onvoldoende motivering van de belangenafweging.