ECLI:NL:RVS:2015:3251
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging van boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellant sub 2 een boete van €6.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank Den Haag matigde deze boete tot €1.500 en verklaarde het beroep van appellant gegrond. Zowel de minister als appellant gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het boeterapport en proces-verbaal voldoende bewijs leverden dat de vreemdeling werkzaamheden verrichtte in de marktkraam van appellant. De minister slaagde daarmee in zijn bewijslast. De Afdeling verwierp het standpunt van appellant dat de verklaringen vaag of tegenstrijdig waren.
Ten aanzien van de hoogte van de boete stelde de Afdeling vast dat de minister bij het toepassen van het boetebeleid onvoldoende rekening hield met de individuele omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling oordeelde dat het beleid waarbij een boete van €6.000 voor natuurlijke personen niet wordt gematigd wegens draagkracht, onredelijk is. De Afdeling matigde de boete tot €1.000, conform het boetenormbedrag uit de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012, met een korting van 75%.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de boete op €1.500 werd vastgesteld en stelde de boete op €1.000. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard, dat van appellant gegrond.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €1.000, met vergoeding van proceskosten aan appellant.