ECLI:NL:RVS:2015:3252
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde aan [appellant sub 2], handelend onder de naam [bedrijf], een boete van €6.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte. De rechtbank Rotterdam vernietigde het besluit en stelde de boete vast op €4.500. Zowel de minister als [appellant sub 2] gingen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister voldoende bewijs had geleverd dat de vreemdeling daadwerkelijk arbeid verrichtte zonder vergunning, ondanks betwisting van [appellant sub 2]. Ook werd geoordeeld dat de vreemdeling niet zonder tewerkstellingsvergunning mocht werken, omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling op grond van het Unierecht.
Ten aanzien van de boetemaat werd vastgesteld dat de minister het beleid omtrent betalingscapaciteit onjuist toepaste door een minimumbedrag van €6.000 te hanteren zonder individuele beoordeling. De rechtbank had de boete met 25% gematigd vanwege de slechte financiële situatie van [appellant sub 2], wat de Afdeling bevestigde. Het boetenormbedrag werd vastgesteld op €4.000 en vervolgens met 25% gematigd tot €3.000.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond, vernietigde het deel van het vonnis waarin de boete op €4.500 werd gesteld, en stelde de boete definitief vast op €3.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen vastgesteld op €3.000 na matiging.