Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2015:3269

Raad van State

Datum uitspraak
16 oktober 2015
Publicatiedatum
21 oktober 2015
Zaaknummer
201406943/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H. Troostwijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende deskundigenadvies

Bij onderscheiden besluiten van 16 december 2013 wees de staatssecretaris aanvragen van vreemdelingen voor een verblijfsvergunning asiel af. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde deze besluiten, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.

De kern van het geschil betrof de waardering van een proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee (KMar) waarin werd geconcludeerd dat overgelegde documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vals waren. De staatssecretaris stelde dat dit proces-verbaal als deskundigenadvies geldt en alleen met een tegenstrijdig deskundigenadvies kan worden bestreden, terwijl de vreemdelingen concrete aanknopingspunten aandroegen zonder een dergelijk advies.

De Afdeling oordeelde dat het aanvoeren van concrete aanknopingspunten onvoldoende is om het deskundigenadvies te weerleggen en dat de staatssecretaris op het proces-verbaal mocht vertrouwen, mits dit zorgvuldig en inzichtelijk is tot stand gekomen. Omdat de vreemdelingen geen tegenstrijdig deskundigenadvies hadden overgelegd, was het oordeel van de rechtbank onjuist.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de zaak terug voor herbehandeling met inachtneming van deze overwegingen. Tevens stelde zij de proceskosten in hoger beroep vast en bepaalde dat de rechtbank beslist over de vergoeding daarvan.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.

Uitspraak

201406943/1/V2.
Datum uitspraak: 16 oktober 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 juli 2014 in zaken nrs. 14/479 en 14/972 in het geding tussen:
[de vreemdelingen]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 16 december 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 22 juli 2014 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. E.L. Garnett, advocaat te 's-Hertogenbosch, hebben een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de specifieke omstandigheden in deze zaak meebrengen dat er concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de bevindingen van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar), zoals neergelegd in het proces-verbaal van 28 juni 2013. De staatssecretaris voert hiertoe aan dat een proces-verbaal van de KMar een deskundigenadvies is en een vreemdeling de daarin neergelegde uitkomst slechts met succes kan bestrijden door middel van een andersluidend deskundigenadvies.
1.1. In het proces-verbaal van de KMar staat dat het door de vreemdelingen overgelegde rechtbankvonnis van 12 mei 2013 en de door hen overgelegde processen-verbaal van 28 januari 2013 en 14 februari 2013 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zijn opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten.
1.2. Uit de door de staatssecretaris aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 19 september 2013 in zaak nr. 201204918/1/V1 en 14 maart 2014 in zaak nr. 201304331/1/V3 volgt dat, aangezien de beoordeling of een door een vreemdeling overgelegd document authentiek, dan wel vals of vervalst is een specifieke deskundigheid vereist die de staatssecretaris noch de bestuursrechter heeft, de uitkomst van een zodanige beoordeling door, voor zover hier van belang, de KMar als een deskundigenadvies moet worden aangemerkt. Dit betekent dat een vreemdeling die uitkomst slechts met succes kan bestrijden door het overleggen van een andersluidend deskundigenadvies; het aanvoeren van concrete aanknopingspunten op basis waarvan een vreemdeling meent dat niet van de juistheid van de uitkomst van het deskundigenadvies van de KMar kan worden uitgegaan, is onvoldoende. Indien een vreemdeling zodanig advies niet overlegt, mag de staatssecretaris derhalve van de uitkomst van het deskundigenadvies van de Kmar uitgaan, mits hij zich ervan heeft vergewist dat het - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.
1.3. Uit de door de vreemdelingen overgelegde stukken blijkt dat zij ervoor hebben gekozen geen deskundigenadvies over te leggen, zoals hiervoor bedoeld, maar te volstaan met het naar voren brengen van concrete aanknopingspunten met verwijzing naar een tweetal verklaringen die huns inziens voldoende reden geven voor twijfel aan de uitkomst van de beoordeling. Zoals volgt uit hetgeen onder 1.2 is overwogen, kan dit er echter niet toe leiden dat de staatssecretaris niet langer mag uitgaan van de juistheid van de uitkomst van de beoordeling door de KMar.
1.4. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaken krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet over de vergoeding van deze kosten beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 juli 2014 in zaken nrs. 14/479 en 14/972;
III. wijst de zaken naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015
284-754.