ECLI:NL:RVS:2015:3300
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit college over niet-invordering van verbeurde dwangsommen na beëindiging overtreding
Het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg legde een last onder dwangsom op aan [partij] voor het verwijderen van een illegaal gebouwde paardenstal. De dwangsom bedroeg € 2.500 per week met een maximum van € 50.000. Na beëindiging van de overtreding besloot het college af te zien van invordering van de dwangsommen die na die datum waren verbeurd.
[Appellant], die om handhaving had verzocht, maakte bezwaar tegen dit besluit, maar werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde dat hij als derde belanghebbende wel degelijk belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit tot niet-invordering, mede vanwege het vertrouwensbeginsel en de mogelijke precedentwerking.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het belang van appellant afhangt van het voorkomen of beëindigen van de overtreding. Omdat de overtreding op 10 maart 2014 was beëindigd, was het doel van de last onder dwangsom bereikt. Er was geen actueel en reëel belang meer bij voortzetting van de procedure. Het betoog dat de begunstigingstermijn onrechtmatig was verlengd en dat het college bijzondere omstandigheden niet had mogen betrekken, faalde. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.