ECLI:NL:RVS:2015:333
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- D.J.C. van den Broek
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering horecavergunning wegens onvoldoende bewijs strafbare feiten
Het college van burgemeester en wethouders van Maassluis weigerde op 11 mei 2012 een vergunning en exploitatievergunning voor een horecabedrijf aan [locatie] te Maassluis, omdat er ernstig gevaar zou bestaan dat de vergunning mede gebruikt zou worden voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten en het plegen van strafbare feiten. Dit besluit werd door de rechtbank Rotterdam op 7 november 2013 bevestigd, maar het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State leidde tot vernietiging van die uitspraak.
De Afdeling oordeelde dat het college en de burgemeester ten onrechte waren uitgegaan van voldoende aannemelijkheid van een vermeende overtreding van de Opiumwet uit 2009, terwijl die strafzaak wegens gebrek aan bewijs was geseponeerd. Ook mocht de sluiting van een van de panden op grond van artikel 13b Opiumwet niet aan het besluit ten grondslag worden gelegd. De adviezen van het Bureau Bibob waren deels onterecht gebruikt, omdat zij ook gebaseerd waren op die niet-aannemelijke overtreding.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat tegen het nieuwe besluit slechts beroep bij haar kan worden ingesteld. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het betoog over schending van artikel 8 EVRM Pro werd niet behandeld omdat het geen actueel belang diende.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de horecavergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van strafbare feiten.