ECLI:NL:RVS:2015:3373
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks overgangsmaatregelen EU
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een boete van €9.500 wegens het laten verrichten van arbeid door een Bulgaarse vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning en het niet correct vaststellen van diens identiteit volgens de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
De werkgever betwistte onder meer dat de vreemdeling als werknemer onder gezag werkte, stellende dat hij als zelfstandige werkzaam was. De Raad van State oordeelde dat de feitelijke omstandigheden, waaronder toezicht en controle door de werkgever, wezen op een gezagsverhouding en dat de overeenkomst eerder een arbeidsovereenkomst dan een overeenkomst van opdracht was.
Verder werd betoogd dat de boete in strijd was met EU-recht, met name artikel 20 VWEU Pro en de overgangsmaatregelen voor Bulgaarse werknemers. De Raad van State bevestigde dat Nederland binnen zijn beoordelingsruimte handelde door de vergunningplicht tot 1 januari 2014 te handhaven en dat de boete niet in strijd was met het EU-recht.
Ook het betoog dat de boete in strijd was met het lex-certabeginsel faalde, omdat de werkgever verantwoordelijk was voor het verifiëren van de identiteit van de vreemdeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €9.500 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.