ECLI:NL:RVS:2015:3385
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verlenging voorrangsverklaring woningzoekende in Den Haag
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om verlenging van een voorrangsverklaring voor woningzoekenden. Het college wees dit verzoek bij besluit van 17 februari 2014 af, omdat appellant niet had gereageerd op passend woningaanbod binnen de geldigheidsperiode en het verzoek niet binnen twee weken na afloop van de geldigheidstermijn had ingediend. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit in haar uitspraak van 4 november 2014.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk had gereageerd op passend woningaanbod en dat veel woningen medisch ongeschikt waren. Tevens voerde hij aan dat persoonlijke omstandigheden hem verhinderden het verzoek tijdig in te dienen en dat het college de hardheidsclausule niet had toegepast. De Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij niet binnen de termijn kon reageren op passend woningaanbod. De door het college genoemde woningen waren passend en appellant had niet aannemelijk gemaakt dat deze ongeschikt waren.
De Raad van State stelde vast dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor verlenging. Omdat het college op deze grond het verzoek mocht weigeren, behoefde het beroep op de hardheidsclausule geen bespreking. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verlenging van de voorrangsverklaring bevestigd.