ECLI:NL:RVS:2015:3411
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister op 8 maart 2012 werd afgewezen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing op 30 januari 2014 opnieuw ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde bij uitspraak van 6 augustus 2014 dit besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wees het eerdere verzoek om een voorlopige voorziening af op 19 oktober 2015. De vreemdeling diende een hernieuwd verzoek in, stellende dat zij arbeid wilde verrichten om in het levensonderhoud van haar en haar kinderen te voorzien. De voorzieningenrechter stelde dat dit verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen.
De vreemdeling slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij op korte termijn arbeid kon verrichten, waardoor geen spoedeisend belang bestond. De voorzieningenrechter handhaafde het eerdere oordeel en wees het verzoek als kennelijk ongegrond af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten en spoedeisend belang.