ECLI:NL:RVS:2015:3492
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over geldigheid bewaring asielzoekers in het licht van EU-Handvest en EVRM
De vreemdeling is sinds 1995 in Nederland en heeft meerdere asielverzoeken ingediend, waarvan het laatste op 27 februari 2015. Hij is meerdere malen veroordeeld voor misdrijven en op 14 september 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens gevaar voor de openbare orde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring ongegrond. De vreemdeling betoogt dat bewaring om beschikbaarheid voor de asielprocedure in strijd is met artikel 5 EVRM Pro.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat volgens het EVRM en het Handvest bewaring alleen rechtmatig is indien deze is opgelegd met het oog op verwijdering. Uit jurisprudentie van het EHRM volgt dat bewaring van asielzoekers niet is toegestaan zolang geen terugkeerbesluit is genomen of uitgevoerd. De Procedurerichtlijn geeft asielzoekers het recht om te verblijven totdat een beslissing in eerste aanleg is genomen, waardoor zij legaal verblijf hebben en niet verwijderd mogen worden.
De Afdeling constateert dat de nationale wetgeving en de Opvangrichtlijn bewaring toestaan, maar dit kan conflicteren met het recht op vrijheid en veiligheid zoals beschermd door het Handvest en EVRM. Daarom stelt de Afdeling prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over de geldigheid van artikel 8 lid 3 onder Pro e van de Opvangrichtlijn in deze context.
De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet. Deze zaak betreft de afweging tussen nationale bewaring van asielzoekers en Europese rechtsbescherming tegen onrechtmatige vrijheidsbeneming.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst en een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie over de geldigheid van de bewaring van asielzoekers met rechtmatig verblijf.