ECLI:NL:RVS:2015:3566
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling medewerking vertrekplicht bij aanvraag verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
De staatssecretaris wees een aanvraag van een gezin met minderjarige kinderen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af vanwege het niet meewerken aan vertrek, een contra-indicatie in de Regeling langdurig verblijvende kinderen. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris deze contra-indicatie niet mocht toepassen over een periode zonder vertrekplicht en verklaarde het beroep gegrond.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat ook tijdens opschorting van de vertrekplicht medewerking aan vertrek kan worden verlangd, onder verwijzing naar eerdere uitspraken. De Raad van State bevestigde dit en oordeelde dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat de vreemdelingen niet voldoende medewerking hebben verleend, onder meer omdat zij geen reisdocument hebben aangevraagd en gesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek niet tot medewerking leidden.
Daarnaast werd geoordeeld dat de staatssecretaris het recht op privéleven (artikel 8 EVRM Pro) voldoende heeft betrokken bij zijn besluit en dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond die verblijf rechtvaardigen. Ook werd bevestigd dat de staatssecretaris niet verplicht is af te wijken van de Regeling op grond van discretionaire bevoegdheid.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris gehandhaafd.