ECLI:NL:RVS:2015:3577

Raad van State

Datum uitspraak
13 november 2015
Publicatiedatum
18 november 2015
Zaaknummer
201507505/4/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 FfwArt. 75 FfwArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontheffing verstoring steenuilnesten in Rheden

De staatssecretaris van Economische Zaken verleende op 31 januari 2014 aan de gemeente Rheden een ontheffing op grond van artikel 75 van Pro de Flora- en faunawet voor het verstoren van nesten van de steenuil in het kader van het project 'Nimmer Dor' in Laag-Soeren. De ontheffing maakt woningbouw mogelijk in het zuidelijke deel en behoudt een foerageergebied in het noordelijke deel.

De stichting NimmerdorNee stelde bezwaar en beroep in tegen deze ontheffing, waarbij zij aanvoerde dat de beoordeling onjuist was omdat de situatie bij de aanvraag niet de actuele, door ploegen en frezen aangetaste situatie weerspiegelde. Tevens betoogde zij dat de gunstige staat van instandhouding van de steenuil niet gegarandeerd kon worden vanwege kwaliteitsverlies van het leefgebied.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het uitgangspunt van de beoordeling de situatie tijdens en na de woningbouw is en dat de rechtbank terecht de ontheffing in stand liet. De rapporten van Bureau Waardenburg toonden aan dat voldoende foerageergebied blijft bestaan, en de aan de ontheffing verbonden voorschriften voorzien in maatregelen ter bescherming van de soort.

Gezien het spoedeisend belang en de inhoudelijke beoordeling wees de voorzieningenrechter het verzoek om schorsing af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de ontheffing voor verstoring van steenuilnesten wordt afgewezen.

Uitspraak

201507505/4/A3.
Datum uitspraak: 13 november 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de stichting Stichting NimmerdorNee, gevestigd te Laag-Soeren, gemeente Rheden,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 augustus 2015 in zaak nr. 14/9074 in het geding tussen:
de stichting
en
de staatssecretaris van Economische Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2014 heeft de staatssecretaris de gemeente Rheden krachtens artikel 75 van Pro de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ontheffing verleend van het verbod van artikel 11 van Pro de Ffw.
Bij besluit van 20 november 2014 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 augustus 2015 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 26 oktober 2015 heeft de stichting de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 3 november 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rheden een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 november 2015, waar de stichting, onder meer vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tieleman en het college, onder meer vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. De stichting en het college hebben daarnaast deskundigen meegebracht.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. De staatssecretaris heeft ontheffing verleend van het verbod van artikel 11 van Pro de Ffw voor het verstoren van nesten of andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenuil. De ontheffing geldt voor het gebied voor de realisatie van het project "Nimmer Dor" in het dorp Laag-Soeren (hierna: het gebied). Het zuidelijke deel van het gebied zal worden bebouwd met woningen, het noordelijke deel van het gebied zal worden ingericht als foerageergebied voor steenuilen.
3. Het verzoek van de stichting strekt ertoe dat de ontheffing wordt geschorst totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. De stichting heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag tot verlening van de ontheffing ten onrechte is uitgegaan van de situatie zoals die op het moment van de aanvraag was. Het gebied is vanaf 2011 geploegd en gefreesd, waardoor het foerageergebied van de twee in het gebied aanwezige steenuilparen is aangetast. Volgens de stichting had de staatssecretaris daarom moeten uitgaan van de situatie zoals die bestond in 2008, toen het gebied voor de steenuilen nog geschikt was als foerageergebied. Verder voert de stichting aan dat de rechtbank heeft miskend dat niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is verzekerd dat de nesten van de steenuilparen in het gebied duurzaam zullen blijven functioneren. Volgens de stichting zal het leefgebied van de in het gebied aanwezige steenuilparen niet alleen in omvang, maar ook in kwaliteit afnemen, omdat noodzakelijke gebiedskenmerken verdwijnen en nieuwe verstoringsfactoren optreden. De voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden, kunnen deze afname niet voorkomen, aldus de stichting. Ter ondersteuning van hetgeen zij aanvoert, verwijst de stichting naar rapporten die Econatura en SOVON vogelonderzoek Nederland in haar opdracht hebben opgesteld.
4. Omdat de gronden in het gebied de komende maanden bouwrijp zullen worden gemaakt en niet kan worden uitgesloten dat daarbij een verstoring van de jaarrond beschermde nesten van de steenuil optreedt, is met het verzoek van de stichting een spoedeisend belang gemoeid.
5. Gelet op artikel 75, vijfde lid, van de Ffw wordt een ontheffing slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het in dit kader gaat om de vraag of er tijdens en na de realisatie van de woningbouw voldoende foerageergebied voor de steenuilparen overblijft en dat de vraag welke situatie als uitgangspunt moet worden genomen, daarbij niet relevant is.
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris kan worden gevolgd in zijn standpunt dat geen afbreuk zal worden gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de steenuil. Daarbij neemt de voorzieningenrechter de bevindingen van Bureau Waardenburg, zoals neergelegd in de rapporten van 12 juni 2013, 19 juli 2013 en 15 november 2013, in aanmerking. Uit deze bevindingen volgt dat na de inrichting van het noordelijke deel van het gebied voldoende foerageergebied voor beide steenuilparen beschikbaar is. Het paar aan de Harderwijkerweg zal meer van het noordelijke deel van het gebied profiteren dan het paar aan de Professor Talmaweg, maar Bureau Waardenburg verwacht dat dit verandert als het paar aan de Professor Talmaweg de grenzen van zijn territorium richting het noordelijke deel van het gebied zal proberen te verleggen. In de door de stichting overgelegde rapporten is kritiek geuit op de bevindingen van Bureau Waardenburg, maar gelet op de uitgebreide weerlegging hiervan in het rapport van Arcadis van 27 mei 2014 ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding aan de juistheid van de bevindingen van Bureau Waardenburg te twijfelen. In de na die datum opgestelde rapporten ziet de voorzieningenrechter daarvoor evenmin aanleiding, nu uit die rapporten - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - geen wezenlijk ander beeld van de situatie naar voren komt. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat aan de ontheffing voorschriften zijn verbonden met daarin maatregelen ter voorkoming of vermindering van eventuele negatieve effecten op de steenuil. Deze maatregelen sluiten, op één na, aan op de maatregelen die zijn voorgesteld in de zogenoemde Soortenstandaard steenuil, een in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken opgesteld document waar de stichting zich in haar hoger beroep ook achter heeft geschaard.
7. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.
w.g. Wortmann w.g. Binnema
voorzieningenrechter griffier
Griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2015
589.