ECLI:NL:RVS:2015:3616
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Hoekstra
- E. Helder
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Weigering vergunning uitbreiding veehouderij wegens stikstofdepositie en Natura 2000 bescherming
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant weigerde een vergunning voor de uitbreiding, wijziging en exploitatie van een veehouderij te Moergestel op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998. De appellant stelde beroep in tegen deze weigering, waarbij onder meer de bevoegdheid tot besluitvorming, het vertrouwensbeginsel en de motivering van het besluit werden betwist.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het bestreden besluit onbevoegd was genomen, maar dat dit gebrek werd gepasseerd omdat het college het besluit later heeft bekrachtigd. Het beroep werd inhoudelijk behandeld. De appellant voerde aan dat het college onterecht het vertrouwensbeginsel had geschonden door een eerdere salderingsbeslissing buiten beschouwing te laten en dat het ontwerpbesluit tot vergunningverlening niet was gevolgd.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht het ontwerpbesluit niet als definitief kon beschouwen en dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden. Verder was onvoldoende aangetoond dat de uitbreiding van de veehouderij geen significante gevolgen zou hebben voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De salderingsbeslissing kon niet als mitigerende maatregel worden betrokken bij de passende beoordeling, conform eerdere jurisprudentie. De appellant had de mogelijkheid gehad mitigerende maatregelen te treffen, maar had daarvan geen gebruik gemaakt.
Gelet op het ontbreken van een passende beoordeling en de risico's voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, was het college bevoegd en gerechtvaardigd de vergunning te weigeren. Het beroep werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de vergunning voor de uitbreiding van de veehouderij is ongegrond verklaard en het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.