ECLI:NL:RVS:2015:3656
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proportionaliteit inburgeringsexamen bij gezinshereniging vreemdelingen
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Buitenlandse Zaken tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de verstrekking van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan een Nigeriaanse vreemdeling had bevolen. De vreemdeling had psychische problemen aangevoerd die haar belemmerden het inburgeringsexamen in het buitenland af te leggen, wat een vereiste is voor gezinshereniging.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in een prejudiciële procedure het Hof van Justitie van de EU gevraagd om uitleg over de richtlijn 2003/86/EG inzake gezinshereniging. Het Hof oordeelde dat lidstaten een inburgeringsexamen mogen eisen, mits dit niet leidt tot het onmogelijk of uiterst moeilijk maken van het recht op gezinshereniging, en dat bijzondere omstandigheden in acht moeten worden genomen.
De Afdeling stelt vast dat de Nederlandse hardheidsclausule onvoldoende ruimte biedt om rekening te houden met bijzondere individuele omstandigheden, zoals psychische beperkingen. Tevens zijn de kosten van het examen en de herexamen te hoog, waardoor het recht op gezinshereniging wordt belemmerd.
De Afdeling vernietigt het eerdere vonnis voor zover het de verstrekking van de mvv oplegt, bevestigt het verder, en draagt de staatssecretaris op binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen dat rekening houdt met de proportionaliteit en de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het eerdere vonnis deels vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zestien weken.