ECLI:NL:RVS:2015:3660
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van persoonlijke deelname aan misdrijven als grond voor inreisverbod en weigering verblijfsvergunning
De staatssecretaris wees een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en legde een inreisverbod op. De rechtbank had dit besluit vernietigd, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, dat personen uitsluit die ernstige misdrijven hebben gepleegd. De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling persoonlijk had deelgenomen aan misdrijven in Eritrea, waaronder het bewaken van gevangenen en deelname aan razzia's, en dat dit een wezenlijke bijdrage vormde aan mishandelingen en martelingen.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris dit standpunt deugdelijk had gemotiveerd en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de persoonlijke deelname niet voldoende was aangetoond. Ook werd overwogen dat de vreemdeling zich niet had kunnen onttrekken aan zijn dienstplicht, maar dat hij wel mogelijkheden had gehad om zijn werkzaamheden te vermijden, waardoor hij niet werd vrijgesteld van verantwoordelijkheid.
Verder stelde de Raad vast dat het opleggen van het inreisverbod terecht was, ondanks het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer, omdat uitzetting niet zal plaatsvinden. Het beroep tegen het inreisverbod werd ongegrond verklaard en het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het beroep tegen het inreisverbod ongegrond en het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk.