ECLI:NL:RVS:2015:3662
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling wint hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel wegens onvoldoende motivering
De vreemdeling kreeg op 2 september 2015 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 september 2015 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de maatregel voldoende was gemotiveerd en dat niet was onderkend dat het beoordelingskader was gewijzigd. Tevens klaagde hij dat de staatssecretaris onvoldoende kennis had vergaard over de mogelijkheid van een lichter middel, omdat hem geen concrete vragen waren gesteld over bijzondere omstandigheden.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet duidelijk had gemaakt dat het aan de vreemdeling was om bijzondere persoonlijke omstandigheden aan te voeren en dat de enkele verklaring van de vreemdeling geen voldoende basis bood. Hierdoor kleefde aan het besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het besluit gegrond. Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, werd geen bevel gegeven. De vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend over de periode van 2 tot 11 september 2015. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel alsnog toegewezen.