ECLI:NL:RVS:2015:370
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 24 maart 2014 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling toetste het besluit aan de bepalingen van de Dublinverordening, in het bijzonder artikel 16 over Pro afhankelijkheid van familieleden binnen de EU. De vreemdeling voerde aan dat hij afhankelijk was van zijn zus en dat hereniging noodzakelijk was. De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling onvoldoende objectieve bewijsstukken had overgelegd waaruit een dergelijke afhankelijkheidsrelatie blijkt.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in de Dublinverordening. Ook het beroep op artikel 17 Dublinverordening Pro en het betoog dat overdracht aan Italië strijdig zou zijn met artikel 3 EVRM Pro werden verworpen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.