ECLI:NL:RVS:2015:3712
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor ouder van meerderjarige vreemdeling
De staatssecretaris wees op 28 april 2014 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling wilde verblijven bij zijn zoon, de referent, die sinds 2011 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. De referent was bij de aanvraag meerderjarig en niet alleenstaand, omdat zijn moeder hem al was nagereisd.
De vreemdeling stelde dat de leeftijd van de referent moest worden beoordeeld op het moment van vertrek uit het land van herkomst en dat zij elkaar tijdens de vlucht waren kwijtgeraakt. De Raad van State oordeelde echter dat de toepasselijkheid van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 afhangt van de situatie bij aankomst in Nederland en de feitelijke hoede van een verantwoordelijke volwassene.
Omdat de referent bij de aanvraag meerderjarig was en onder de hoede van zijn moeder stond, viel hij niet onder de definitie van alleenstaande minderjarige. De eerdere uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014 was niet van toepassing op deze situatie. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag omdat de referent meerderjarig en niet alleenstaand was.