ECLI:NL:RVS:2015:3713
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-meewerken aan vertrek bij aanvraag verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
De staatssecretaris wees op 24 juli 2014 de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af voor een gezin bestaande uit een moeder en haar minderjarige zoon, op grond van de Regeling langdurig verblijvende kinderen. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelden bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning moest verlenen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de toepassing van een contra-indicatie uit de Vreemdelingencirculaire 2000, die inhoudt dat een verblijfsvergunning geweigerd kan worden indien de vreemdeling niet meewerkt aan zijn vertrek. De staatssecretaris stelde dat de vreemdelingen onvoldoende stappen hadden ondernomen om aan hun vertrekplicht te voldoen, ook gedurende perioden van rechtmatig verblijf in afwachting van procedures.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht mocht verlangen dat vreemdelingen medewerking verleenden aan de voorbereiding van hun vertrek, ook tijdens opschortingen van de vertrekplicht. Uit het advies van de Dienst Terugkeer en Vertrek bleek dat de vreemdelingen onvoldoende hadden gedaan, onder meer doordat zij geen volledige gegevens hadden verstrekt bij reisdocumentaanvragen en geen gebruik maakten van aangeboden faciliteiten. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, waardoor de beroepen van de vreemdelingen ongegrond werden verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard.