ECLI:NL:RVS:2015:3715
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inreisverbod vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard na vrijwillig vertrek
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 13 november 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juni 2015 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
Tijdens de procedure vertrok de vreemdeling op 17 december 2014 vrijwillig naar Irak, zijn land van herkomst, en ondertekende een vertrekverklaring waarin hij instemde met intrekking van openstaande verblijfsrechtelijke procedures. De voormalige gemachtigde van de vreemdeling gaf aan geen contact meer te hebben en niet gemachtigd te zijn om verweer te voeren in hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het inreisverbod. Daarom verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het het inreisverbod betrof, en verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na vrijwillig vertrek.