ECLI:NL:RVS:2015:3728
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering verbeurde dwangsom wegens niet-recreatief gebruik recreatiewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Medemblik legde op 24 mei 2013 een last onder dwangsom op aan appellant om het niet-recreatieve gebruik van zijn recreatiewoning binnen twee weken te beëindigen. Omdat dit niet gebeurde, besloot het college op 14 november 2013 tot invordering van een verbeurde dwangsom van €5.000. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze invordering, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden deze ongegrond.
Appellant voerde aan dat hij niet als overtreder kon worden aangemerkt omdat hij de woning niet zelf niet-recreatief gebruikte en dat de controles onvoldoende bewijs boden. De Raad van State overwoog dat bezwaren tegen het oorspronkelijke dwangsombesluit niet meer aan de orde zijn bij toetsing van de invordering en dat de controleverslagen en informatie van het vakantiepark aannemelijk maken dat de woning langdurig bewoond was, wat niet recreatief is.
Verder stelde appellant dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat invordering niet noodzakelijk was vanwege het uitblijven van het beoogde handhavingsresultaat. De Raad van State oordeelde dat invordering van verbeurde dwangsommen een zwaarwegend belang dient en dat appellant geen bijzondere omstandigheden aannemelijk had gemaakt om van invordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de invordering van de verbeurde dwangsom wegens niet-recreatief gebruik van de recreatiewoning.