ECLI:NL:RVS:2015:3740
Raad van State
- Hoger beroep
- N.S.J. Koeman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvullende uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs inkomensverlies
Appellant, eigenaar van een eenmanszaak, werd slachtoffer van een geweldsmisdrijf en was daardoor gedeeltelijk arbeidsongeschikt van 19 januari 2011 tot 1 januari 2013. Hij vorderde een aanvullende uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens vermindering van inkomsten. De CSG kende aanvankelijk een beperkte uitkering toe en wees een verdere vergoeding af omdat het belastbaar inkomen van appellant in de jaren 2008 tot en met 2012 negatief was.
De rechtbank oordeelde dat de CSG zich op het standpunt kon stellen dat op basis van de beschikbare gegevens geen inkomensverlies als gevolg van het misdrijf kon worden vastgesteld. Appellant stelde dat het beleid van de CSG onredelijk was, omdat zijn negatieve inkomen vóór het misdrijf het gevolg was van een hersenbloeding in 2006 en hij na herstel weer contracten wist te sluiten die hij door het misdrijf niet kon uitvoeren.
De Raad van State overwoog dat artikel 4 Wsg Pro betrekking heeft op de hoogte van de uitkering en niet op de vraag of er schade is geleden. De CSG heeft beoordelingsvrijheid en mag het inkomensverlies baseren op een vergelijking van objectief vaststaande inkomensgegevens vóór en na het misdrijf. De voorgestelde alternatieve methodiek van appellant geeft geen uitsluitsel over het verband tussen het misdrijf en het inkomensverlies. De Afdeling bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.