ECLI:NL:RVS:2015:383
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over familie- en gezinsleven bij vreemdelingen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees een aanvraag van vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarbij hij betoogde dat de rechtbank ten onrechte het familie- en gezinsleven tussen kleinkinderen en grootouders als relevant had beschouwd, terwijl volgens hem alleen de rol van de vader van de minderjarige vreemdelingen doorslaggevend is. De Raad van State oordeelde dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) jurisprudentie heeft ontwikkeld waaruit volgt dat voor kleinkinderen en grootouders niet de eis geldt van 'more than normal emotional ties', maar dat het gaat om feitelijke, hechte persoonlijke banden.
De Raad van State bevestigde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van de staatssecretaris een motiveringsgebrek vertoont doordat onvoldoende rekening is gehouden met de feitelijke banden tussen de kleinkinderen en hun grootouders. De overige grieven van de staatssecretaris en de vreemdelingen werden verworpen. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep werden kennelijk ongegrond verklaard, en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Er werden geen proceskosten toegewezen. De Raad van State bepaalde dat de staatssecretaris een griffierecht van €493,00 moet betalen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep en incidenteel hoger beroep kennelijk ongegrond.