ECLI:NL:RVS:2015:3886
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing persoonlijke betalingsregeling toeslagschuld wegens opzet of grove schuld
De Belastingdienst/Toeslagen vorderde terugbetaling van ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag over 2009-2011 ter hoogte van €17.826,00. Appellante verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, maar dit werd afgewezen omdat de schuld was ontstaan door opzet of grove schuld van haar of haar partner. De rechtbank oordeelde dat appellante terecht verantwoordelijk werd gehouden, mede omdat zij bewust meer uren toeslag had aangevraagd dan daadwerkelijk genoten.
Appellante voerde aan dat haar ex-partner de aanvragen deed en dat zij haar DigiD in goed vertrouwen had gedeeld, maar de Raad van State stelde vast dat de digitale aanvragen op haar naam stonden en dat zij de voorschotten ontving op haar bankrekening. Hierdoor waren de aanvragen aan haar toe te rekenen. Daarnaast faalde haar beroep op eerdere jurisprudentie die door de Afdeling was vernietigd.
Verder betoogde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met haar financiële situatie als alleenstaande moeder met een laag inkomen, waardoor de terugbetaling van €743 per maand haar beslagvrije voet zou overschrijden. De Raad van State oordeelde dat de Belastingdienst volgens de geldende regelgeving en beleidsregels (Awir en Leidraad Invordering) juist had gehandeld en dat er ruimte was voor invordering met inachtneming van de beslagvrije voet, mits appellante hierom verzoekt.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de persoonlijke betalingsregeling wegens opzet of grove schuld.