ECLI:NL:RVS:2015:3897
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf echtgenote
De zaak betreft het hoger beroep van een referent tegen de afwijzing van de aanvraag van zijn echtgenote voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De staatssecretaris had deze aanvraag op 7 februari 2014 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de referent vervolgens ongegrond.
In hoger beroep klaagde de referent dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing was op zijn echtgenote omdat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De Afdeling oordeelde dat de richtlijn wel van overeenkomstige toepassing is op de echtgenote, omdat de Nederlandse wetgeving geen onderscheid maakt tussen interne situaties en situaties die onder Unierecht vallen.
Desondanks oordeelde de Afdeling dat het inburgeringsvereiste, zoals toegepast door de staatssecretaris, rechtmatig is en niet in strijd met de richtlijn, omdat de echtgenote niet heeft aangetoond dat het examen onmogelijk of uiterst moeilijk is of dat zij ontheffing kan krijgen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, maar verklaarde het beroep in eerste aanleg ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de echtgenote niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.