ECLI:NL:RVS:2015:3936
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen met matiging
De minister legde appellante een boete van €12.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat de minister discretionaire bevoegdheid heeft bij het opleggen van boetes en deze moet afstemmen op verwijtbaarheid en ernst van de overtreding. Appellante had onvoldoende inspanningen verricht om het verblijfsrecht van de vreemdeling te verifiëren, ondanks aanwijzingen die nader onderzoek rechtvaardigden.
De minister had het boetenormbedrag inmiddels verlaagd van €12.000 naar €8.000, waarop de Raad van State het hoger beroep gegrond verklaart en de boete vaststelt op €8.000. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze de rechtsgevolgen in stand liet en bevestigd voor het overige.
Uitkomst: De Raad van State stelt de boete vast op €8.000 en vernietigt het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen in stand liet.