Art. 16 Natuurbeschermingswet 1998Art. 19d Natuurbeschermingswet 1998Art. 6:6 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:58 Algemene wet bestuursrechtArt. 27 derde lid Hinderwet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen vergunningwijziging veehouderij op grond van Natuurbeschermingswet 1998
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende op 15 oktober 2013 een vergunning voor het wijzigen en uitbreiden van een veehouderij op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. De Coöperatie Mobilisation for the Environment (Mob) en vereniging Leefmilieu maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat gedeeltelijk werd gehonoreerd, waarna zij beroep instelden bij de Raad van State.
Tijdens de procedure dienden Mob en Leefmilieu landbouwtellinggegevens in over de periode 1989-1995, bedoeld ter onderbouwing van hun stelling dat eerdere vergunningen krachtens de Hinderwet gedeeltelijk waren vervallen. De Raad van State oordeelde dat deze gegevens te laat waren ingediend, waardoor het college en de vergunninghouder niet adequaat konden reageren, wat in strijd was met de goede procesorde.
De Raad van State liet deze landbouwtellinggegevens buiten beschouwing en concludeerde dat Mob en Leefmilieu onvoldoende bewijs hadden geleverd om het college te weerleggen dat de eerdere vergunningen rechtsgeldig waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningwijziging veehouderij wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.
Uitspraak
201406443/1/R2.
Datum uitspraak: 23 december 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob) en vereniging Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft het college op grond van artikel 16 enPro artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) vergunning verleend voor het wijzigen/uitbreiden van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 23 juni 2014, kenmerk 81006662, heeft het college het door Mob en Leefmilieu hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 15 oktober 2013 met een aangepaste motivering in stand gelaten.
Tegen dit besluit hebben Mob en Leefmilieu beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mob en Leefmilieu hebben een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2015, waar Mob en Leefmilieu, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door drs. P.C. Meeuwissen, ing. W.H.F. Kerpershoek en M. Uittenbosch, zijn verschenen.
Overwegingen
Intrekking
1. Mob en Leefmilieu hebben ter zitting de beroepsgrond die ziet op de bevoegdheid, ingetrokken.
Goede procesorde en vervallen rechten
2. Mob en Leefmilieu hebben bij faxbericht van 15 november 2015 een nader stuk ingediend. Dit nadere stuk bevat landbouwtellinggegevens, ook wel aangeduid als meitellingen, over de periode 1989-1995. Het dient ter onderbouwing van hun betoog dat de op 28 september 1972 krachtens de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning en de op 12 maart 1981 krachtens die wet verleende veranderingsvergunning gedeeltelijk zijn vervallen.
2.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kunnen, gelet op artikel 8:58 vanPro de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.
2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 mei 2015 in zaak nr. 201405347/1/R2) is het college, in een geval waarbij geen tekenen aanwezig zijn dat gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren minder dieren in de inrichting worden gehouden, bij het verlenen van de vergunning niet ertoe verplicht ambtshalve onderzoek te verrichten naar de vraag of een Hinderwetvergunning eventueel gedeeltelijk is vervallen op grond van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet. Het ligt derhalve primair op de weg van Mob en Leefmilieu om feiten en omstandigheden aan te voeren die een begin van bewijs opleveren voor de juistheid van de stelling dat de vergunning voor de veehouderij gedeeltelijk is vervallen. Mob en Leefmilieu hebben dit gedaan door het overleggen van landbouwtellingsgegevens.
Deze landbouwtellinggegevens zijn twaalf dagen voor de zitting overgelegd. De Afdeling is van oordeel dat het eerst in dit stadium van de procedure overleggen van deze gegevens in strijd is met de goede procesorde, nu het voor het college en vergunninghouder niet mogelijk was op adequate wijze op de landbouwtellinggegevens te reageren. Deze gegevens vereisen in dit geval een beoordeling van het college waarvoor het nader onderzoek moet verrichten. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het college ter zitting heeft medegedeeld hiertoe, gelet op de vereiste gegevens van de vergunninghouder over het aantal destijds gehouden dieren, niet in staat te zijn geweest. Voorts zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor Mob en Leefmilieu redelijkerwijs onmogelijk was de gegevens eerder over te leggen. De landbouwtellinggegevens worden daarom in deze procedure wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Gelet hierop, en nu door Mob en Leefmilieu geen andere gegevens zijn overgelegd die een dergelijk begin van bewijs kunnen opleveren, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van de rechtsgeldigheid van de op 28 september 1972 dan wel de op 12 maart 1981 verleende vergunningen heeft kunnen uitgaan.
Het betoog faalt.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond.
3.1. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Jager, griffier.