ECLI:NL:RVS:2015:4000
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De minister heeft op 10 juli 2012 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de minister binnen twee weken een verblijfsvergunning moest verstrekken. De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State stelde de behandeling uit in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, die in december 2014 werden beantwoord. In het hoger beroep betoogde de staatssecretaris onder meer twijfel over de nationaliteit van de vreemdeling, maar dit kon niet worden meegenomen wegens de dwingende aard van het hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door de staatssecretaris op te dragen de vergunning te verlenen zonder dat een op de persoon toegespitst onderzoek naar contra-indicaties had plaatsgevonden. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard en het vonnis vernietigd voor zover het de vergunning betrof. De staatssecretaris moet opnieuw beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Verder werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de procedure nog niet was afgerond en de termijn van vier jaar niet was overschreden. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ten bedrage van €490,00.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het vonnis vernietigd voor zover de vergunning moest worden verstrekt; de staatssecretaris moet opnieuw beslissen.