ECLI:NL:RVS:2015:4001
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over weigering onderdak en leefgeld aan niet-rechtmatig verblijvende vreemdeling
De vreemdeling verzocht de staatssecretaris om onderdak en leefgeld te verstrekken. De staatssecretaris wees dit verzoek af en bood onderdak aan in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) onder de voorwaarde dat de vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat het aanbod van onderdak in een VBL in strijd is met de artikelen 3 en 8 EVRM, omdat het onderdak afhankelijk wordt gesteld van medewerking aan vertrek. Ook verwees hij naar Europese jurisprudentie en stelde dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor opvang van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen. De Raad van State oordeelde dat deze argumenten niet slaagden, mede omdat de situatie van de vreemdeling niet vergelijkbaar is met die in de aangehaalde arresten en omdat de staatssecretaris nog in onderhandeling is met gemeenten over opvang.
De Raad van State bevestigde dat er geen algemene verplichting bestaat voor de staat om opvang te bieden aan niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen, maar erkende dat in bijzondere gevallen op grond van het EVRM wel een verplichting kan ontstaan. In deze zaak waren geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die een andere beoordeling rechtvaardigen. De vreemdeling had geen verblijfsvergunning en verbleef niet rechtmatig. Het aanbod van onderdak in een VBL onder de gestelde voorwaarden was daarom rechtmatig.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.