ECLI:NL:RVS:2015:4010
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging proceskostenvergoeding bij intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
De staatssecretaris heeft op 21 februari 2014 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken, hem opgedragen de EU, EER en Zwitserland te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 19 augustus 2014 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit voor zover het inreisverbod betrof, maar wees het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning af en veroordeelde de staatssecretaris tot een proceskostenvergoeding van € 974.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de oude puntwaarde hanteerde bij de proceskostenvergoeding. Daarom vernietigde zij het deel van de uitspraak over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de staatssecretaris tot een hogere vergoeding van € 980, gebaseerd op de puntwaarde per 1 januari 2015.
De Afdeling bevestigde het overige van de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep van € 490. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 17 december 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding aan de vreemdeling wordt verhoogd tot € 980 plus € 490 voor het hoger beroep.