AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing verzoek handhaving door college Haarlem
Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem wees op 6 augustus 2013 het verzoek om handhaving van appellant af. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 2 december 2014 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het daarop ingestelde beroep op 19 maart 2015 ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij stelde dat het college niet tijdig volledig op zijn verzoek had beslist en daardoor een dwangsom had verbeurd. De Afdeling oordeelde dat het besluit van 6 augustus 2013 tijdig was genomen binnen de wettelijke termijn, ook al was het besluit mogelijk niet volledig.
De Afdeling benadrukte dat artikel 4:13 AwbPro vereist dat een besluit binnen de wettelijke termijn wordt genomen, los van de inhoudelijke juistheid ervan. De mogelijkheid om de juistheid aan te vechten bestaat via bezwaar en beroep. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201503508/1/A3.
Datum uitspraak: 30 december 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Haarlem,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 maart 2015 in zaak nr. 15/321 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.
Procesverloop
Bij besluit van 6 augustus 2013 heeft het college een verzoek om handhaving van [appellant] afgewezen.
Bij besluit van 2 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S.M. Vringer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen dwangsom heeft verbeurd. Daartoe voert hij aan dat het college eerst op 4 november 2013, en daarmee niet tijdig, volledig op zijn verzoek om handhaving heeft beslist.
2.1. Dit betoog faalt. Het besluit van 6 augustus 2013 houdt een besluit in van het college op het verzoek van 24 mei 2013. Dit besluit is binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling genomen. Dat met dat besluit mogelijk niet volledig op het verzoek is beslist doet daar niet aan af. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 april 2013 in zaak nr. 201200757/1) eist artikel 4:13, eerste lid, van de Awb louter dat binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een besluit wordt genomen. De beoordeling of een besluit is genomen, waar het bij de regeling van de artikelen 4:13 van de Awb en volgende om te doen is, staat los van de beoordeling van de juistheid van het genomen besluit. Het doel van artikel 4:17 vanPro de Awb is daarbij met name de burger een effectief rechtsmiddel te bieden tegen trage besluitvorming van bestuursorganen, niet om rechtsbescherming te bieden ter zake van de beoordeling van dat besluit. Voor de bestrijding van de juistheid van het besluit van 6 augustus 2013 stond voor [appellant] de mogelijkheid van bezwaar open, van welke mogelijkheid hij ook gebruik heeft gemaakt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.