ECLI:NL:RVS:2015:4042
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing openbaarmaking beoordelingsverslag gerechtsdeurwaarders
Het bestuur van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) wees een verzoek om openbaarmaking van een beoordelingsverslag af op grond van uitzonderingsgronden uit de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), met name artikel 10, tweede lid, onder e en g. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant onvoldoende gronden had aangevoerd tegen de toepassing van deze uitzonderingsgronden.
In hoger beroep stelde appellant dat het bestuur de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e niet juist had toegepast en dat de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid had gesteld om alsnog gronden tegen deze toepassing aan te voeren. De Afdeling oordeelde dat het bestuur onvoldoende had gemotiveerd waarom openbaarmaking van de namen in het beoordelingsverslag de persoonlijke levenssfeer onevenredig zou schaden.
Voorts oordeelde de Afdeling dat het bestuur ten onrechte had gesteld dat openbaarmaking van het beoordelingsverslag zou leiden tot onevenredige benadeling van het gerechtsdeurwaarderskantoor en het bestuur zelf, en dat het bestuur onvoldoende was ingegaan op het maatschappelijk belang van transparantie over kwaliteitscontrole. Gelet hierop en het feit dat het bestuur de uitzonderingsgrond van artikel 11 Wob Pro niet langer handhaaft, werd het besluit vernietigd en werd het bestuur opgedragen een nieuw besluit te nemen, waartegen alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is.
Uitkomst: Het besluit van de KBvG tot afwijzing van het verzoek om openbaarmaking van het beoordelingsverslag wordt vernietigd en het bestuur moet een nieuw besluit nemen.