ECLI:NL:RVS:2015:4049
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering verbeurde dwangsommen wegens niet-beëindiging permanente bewoning recreatiewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Ommen legde op 18 juni 2012 een last onder dwangsom op aan appellant om binnen 52 weken de permanente bewoning van zijn recreatiewoning te beëindigen. Bij niet-naleving was een dwangsom van €1.500 per maand met een maximum van €15.000 verschuldigd. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waardoor het in rechte vaststaat.
Het college besloot op 8 juli 2014 tot invordering van de verbeurde dwangsommen van in totaal €15.000. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit invorderingsbesluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij direct na het dwangsombesluit overleg had gevoerd met ambtenaren, dat er zicht was op legalisering, dat handhaving onevenredig was vanwege zijn financiële situatie en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom in dit stadium niet meer ter beoordeling staat. Ook bood de financiële situatie van appellant geen grond om af te zien van invordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot invordering van de dwangsommen en verklaart het hoger beroep ongegrond.