ECLI:NL:RVS:2015:4066
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste toepassing inburgeringsvereiste
De staatssecretaris wees op 17 februari 2014 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 15 april 2014 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 17 november 2014 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing was omdat de referent de Nederlandse nationaliteit heeft. De richtlijn is wel van toepassing op het inburgeringsvereiste bij gezinshereniging met een Nederlander. Tevens concludeerde de Afdeling dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom bijzondere individuele omstandigheden, zoals de onmogelijkheid om de kosten van het inburgeringsexamen te voldoen, niet tot vrijstelling van het inburgeringsvereiste leiden.
De Afdeling stelde vast dat het besluit van de staatssecretaris strijdig was met het recht en vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak vernietigd, en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.