ECLI:NL:RVS:2015:4069
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste motivering inburgeringsvereiste
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 18 februari 2014 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 25 april 2014 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze beslissing bij uitspraak van 10 december 2014. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de staatssecretaris de motivering omtrent het inburgeringsvereiste voldoende had onderbouwd. Zij voerde aan dat bijzondere individuele omstandigheden haar verhinderen aan het inburgeringsvereiste te voldoen, waardoor toepassing van de hardheidsclausule (artikel 3.71a, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000) noodzakelijk was.
De Afdeling overwoog dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 juli 2015 volgt dat een derdelander vrijgesteld moet worden van het inburgeringsvereiste indien dit de uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris zijn besluit niet deugdelijk had gemotiveerd en dat de rechtbank dit ten onrechte had bevestigd.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris vernietigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan de vreemdeling. Hiermee werd het beroep van de vreemdeling alsnog toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het inburgeringsvereiste.