ECLI:NL:RVS:2015:4070
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt gegrondverklaring hoger beroep tegen afwijzing verblijfsdocument als familielid EU-burger
De vreemdeling, met de Marokkaanse nationaliteit en gehuwd met een Nederlandse EU-burger, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van het recht op verblijf als familielid van een EU-burger. De minister wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de vreemdeling geen afgeleid verblijfsrecht had omdat hij ten tijde van de aanvraag geen rechtmatig verblijf in Spanje had. Uit het arrest O. en B. volgt dat dit niet correct is indien het familielid de hoedanigheid ná het verblijf in het gastland heeft verkregen. De Raad stelde vast dat de vreemdeling sinds het huwelijk in 2006 familielid was en dat het verblijf in Spanje aannemelijk was gemaakt.
Verder oordeelde de Raad dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het verblijf van de referente in Spanje niet aannemelijk was, ondanks overgelegde administratieve en feitelijke bewijsstukken. Ook was het standpunt dat aanspraken op afgeleid verblijfsrecht vervallen door tijdsverloop tussen terugkeer van de EU-burger en overkomst van de vreemdeling onjuist.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en gelastte een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelde de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de minister vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.