ECLI:NL:RVS:2015:505
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel op grond van Dublinverordening
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 17 oktober 2014 de aanvraag van een vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. De vreemdeling was in april 2014 via Italië binnengekomen en daar ongeveer vijf dagen verbleven. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris, waarna deze hoger beroep instelde.
De Raad van State overwoog dat de afwijzing van de aanvraag conform artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening was. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur waren geschonden omdat de staatssecretaris niet in alle vergelijkbare gevallen een claimverzoek aan Italië had gestuurd. De Raad benadrukte dat het bestuursbeleid consistent en doordacht moet zijn, maar dat het niet tijdig onderkennen van claimmogelijkheden in sommige gevallen niet automatisch een schending van deze beginselen betekent.
De Raad stelde vast dat de Italiaanse autoriteiten niet binnen de wettelijke termijn hadden gereageerd, waardoor zij verantwoordelijk werden voor de asielaanvraag. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.