ECLI:NL:RVS:2015:509
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen nieuw gebleken feiten bij afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 9 november 2014 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 9 december 2014 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een hernieuwde toetsing van het besluit rechtvaardigden. De Raad overwoog dat de vreemdeling eerder een aanvraag had ingediend die was afgewezen en dat het nieuwe besluit van gelijke strekking was. Jurisprudentie vereist dat alleen bij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden toetsing mogelijk is.
De vreemdeling voerde onder meer een verklaring van de Soedanese consul en een domicilieverklaring aan, maar de Raad stelde vast dat deze omstandigheden niet afdoen aan het eerdere besluit, omdat de vreemdeling niet had aangetoond dat hij de Tsjadische nationaliteit niet bezit. Er was geen sprake van relevante wijziging van het recht of bijzondere omstandigheden die toetsing rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van nieuw gebleken feiten.